Introductory
In an email message of 04-06-2025 to a cousin of mine I wrote:
‘My new [planned] book among other things will be about what you said to me: “If unbelievers tell us, that religious beliefs, especially Christian dogma, in the course of time has been invented/formed by people…”. That is the view that people made, or created, the religious message. I am inquiring into the question of what precisely that view implies. I make a distinction between in- and outsiders to religious projection. It is important, that insiders to projection say, for instance: “Life after death exists”. They say the same thing as what believers are saying. Only when making a further step, insiders to religious projection will point out that projection is involved. (Then they are speaking as outsiders). This is a good reason, as you phrase it, for not being “credulous”. However, obviously we are not unfriendly to religious belief beforehand either. My new book is not about the question of whether religious belief is true. Many things around us are beautiful and overwhelming (apart from a lot of misery) and intuitively we feel that it cannot be the case that only tangible things exist. Much will depend on where at last by means of “friendly puzzling” about religion we will find ourselves…’.
CONTENTS
- Religious Discourse a Special Kind of Discourse (2026)
- Over relativiteit van religieuze waarheid (02-06-2022)
- Waarheden over onzichtbare dingen: Een toelichting bij ‘On internal truth of religious discourse’ (25-09-2020)
Religious Discourse a Special Kind of Discourse (2026)
Charles Goossens --- 08-04-2026
The theory of religious projection is often felt to be directed against traditional religious belief. Religious constructivism, which is the subject of my Religious Discourse a Special Kind of Discourse (2026) [to be published], is in some respects similar to the theory of religious projection. It is a non-metaphysical philosophical theory, unconcerned with the question of whether the religious propositions at issue are true and strictly remaining within the domain of religion, approached by empirical means. The fundamental idea of religious constructivism is, that the higher, divine world of the main religions depends on various dynamic, creative social phenomena among the founders and believers of these religions. Religious extrapolation, creative reflection and religious construction, which may be processes during a long time, are examples[1]. If people perform religious extrapolation or construction, the religious propositions corresponding to the constructions are true in the perspective of the extrapolations or constructions involved, and for insiders the propositions about a higher world are true tout court. At the object level the propositions under religious extrapolation or construction and the propositions of the creeds of believers do not differ from one another. ‘In the beginning God created the heaven and the earth’ (Genesis 1:1, KJV), as it stands, might be a proposition under religious extrapolation or construction. The central idea of religious constructivism and the idea of relativity of religious belief are narrowly connected with each other, since according to religious constructivism a higher, divine world always has been created by religious people, and different people appear to create different religious worlds.
In principle no religious conclusions follow from propositions about empirical data concerning religion, that is, data concerning what is empirically observable or discoverable in religion. Accepting or rejecting a religious message is a further step to be made, when religious constructivism has been put forward. Philosophers of religion will try to give a philosophical and logical analysis of religious constructivism, often informed by empirical and historical data about religion. So doing they may provide us with an open-minded contribution to philosophy of religion.
[1] In connection with religious constructivism compare what Schillebeeckx says about ‘early [original] Christian creeds’, Edward Schillebeeckx, Jesus: An Experiment in Christology, eBook, translated by Hubert Hoskins & Marcelle Manley, Collected Works of Edward Schillebeeckx, vol. VI (London: Bloomsbury, 2014), pp. 367-474.
Over relativiteit van religieuze waarheid
Charles Goossens --- 02-06-2022
Er komen verschillende literaire genres voor in de Bijbel en wat waar is in een tekst van het ene genre zoals poëzie, hoeft niet waar te zijn in teksten van een andere literaire categorie zoals biografische verhalen. Zulke categorieën zijn grotendeels onafhankelijk van elkaar. We kunnen hierbij denken aan verkeerde letterlijke interpretaties van poëtische passages in de Bijbel. Nu komen er niet alleen verschillende literaire genres voor in de Bijbel, maar ook vormen religieuze teksten een apart literair genre, anders dan andere literaire categorieën. Die teksten behoren tot een speciale vorm van denken en spreken. En wat waar is in religieuze teksten, hoeft niet waar te zijn in andere soorten teksten. Ik wil hier werken met twee voorbeelden, het bestaan van onsterfelijke zielen en het wonder van Jezus’ opstanding. In de christelijke boodschap is het waar, dat Jezus na zijn kruisiging is opgestaan. Volgens die boodschap gebeurde dat wonder in de reële ruimte, in Palestina, en in de reële tijd, de eerste eeuw van onze jaartelling, en degenen die erbij betrokken waren, waren mensen van vlees en bloed. Maar dit betekent niet dat de opstanding ook thuishoort in een strikt-empirisch of strikt-historisch betoog. Dat het idee van Jezus’ opstanding waar is in religieuze teksten van het christendom, wordt bepaald door de eigen, fundamentele regels van het christendom, Bijbel, concilies enz., terwijl waarheid in een empirisch of historisch betoog bepaald wordt door de eigen regels van empirische of historische uiteenzettingen. Hetzelfde geldt voor het leerpunt van het bestaan van onsterfelijke zielen. Uit het feit dat er volgens de chistelijke boodschap onsterfelijke zielen zijn, volgt nog niet dat er ook zulke onstoffelijke wezens bestaan volgens een kritische filosofie. Een kritische filosofie bepaalt zelf, of mensen in principe het bestaan van zulke wezens kunnen achterhalen en als mensen dat al kunnen, of het dan ook in feite lukt, aan te tonen dat er zulke wezens bestaan. Zelfs als er geen doorslaggevende filosofische argumenten zijn voor het bestaan van onsterfelijke zielen en zelfs als het historische karakter van Jezus’ opstanding niet op overtuigende manier door historici beargumenteerd kan worden, kunnen gelovigen terecht blijven vasthouden aan die leerpunten. Dit is een aspect van het idee van relativiteit van religieuze waarheid.
Religieuze waarheden worden niet volstrekt willekeurig aangenomen. Het aannemen ervan hoeft niet onredelijk te zijn of een zaak waar ‘anything goes’, als het gaat om motieven om te geloven. John Locke waarschuwt: ‘Every Conceit that throughly warms our Fancies must pass for an Inspiration, if there be nothing but the Strength of our Perswasions, whereby to judge of our Perswasions…’.[1] Religieuze mensen hebben bepaalde toegangswegen tot hun religieuze boodschap of anders gezegd, ze hebben bepaalde redenen om die boodschap aan te nemen. Er zijn nogal wat mogelijke toegangswegen. Extatische visioenen zijn een mogelijkheid, waarbij we ons kunnen afvragen of de ervaring van Paulus op de weg naar Damaskus zo ’n visioen was. Verder Joseph Haydn, Die Schöpfung I: ‘Die Himmel erzählen die Ehre Gottes. Und seiner Hände Werk zeigt an das Firmament. Dem kommenden Tage sagt es der Tag; die Nacht, die verschwand, der folgenden Nacht’, en ‘In het verschil van nacht en dag en in wat Allah geschapen heeft in de hemelen en de aarde zijn tekenen voor mensen die godvrezend zijn’ (Psalmen 19:2-3 resp. Koran, soerat 10:6). Ook zijn er bekende pogingen om het bestaan van een uniek goddelijk wezen te beargumenteren zoals op basis van de doelmatigheid in alles wat bestaat. Die doelmatigheid verwijst dan naar degene die het design heeft ontworpen. Bovendien worden om begrijpelijke redenen betrouwbare getuigenissen en betrouwbare tradities als toegangswegen genoemd. Een heel andere mogelijkheid zou zijn, dat mensen een onstoffelijke wereld niet vinden maar maken. Want inderdaad zijn er twee mogelijkheden: we vinden een hogere wereld of we maken die. In het tweede geval zouden we met Hella Haasse kunnen zeggen: ‘… dit hart dat binnen in mij brandt / doet nimmer afstand van zijn zoeten waan / dat er iets blijft van mij…’.[2] En dan zou het ongetwijfeld duidelijk zijn, waarom religieuze ideeën niet zomaar kunnen worden overgeheveld naar een kritische filosofie of naar wetenschappelijk onderzoek. Want hogere wezens en miraculeuze gebeurtenissen zouden door mensen gemaakt zijn. In religies zijn er overigens niet alleen religieuze leerpunten maar ook praktijken, gezangen, schilderwerken, tradities of algemener, religieuze ways of life, met inbegrip van ethische regels, beginselen en deugdidealen. Daarom slaan redenen om mee te doen met een religieuze gemeenschap niet alleen op leerpunten.
Het ligt voor de hand dat er voor religieuze ideeën geen strikte bewijzen zijn. Anders zou het niet gaan om geloven maar om weten. Strikte bewijzen zijn ook niet nodig als mensen belangrijke beslissingen in hun leven willen nemen. Ze vertrouwen ook op waarschijnlijkheden, niet alleen op zekerheden. Filosofisch gesproken is het controversieel, of we in principe een hogere wereld kunnen kennen en ook of we in feite kunnen aantonen dat er zo ’n wereld is. Maar redenen om de christelijke boodschap als waar aan te nemen zijn grotendeels geen zaak van wetenschap of filosofie. Ze zijn een zaak van het christendom zelf en van de fundamentele regels van het christendom. De waarheid van de christelijke leerstellingen over het bestaan van onstoffelijke zielen hangt er niet van af, of er sluitende filosofische argumenten voor te geven zijn. In alle geval zijn de christelijke waarheden minstens waarheden in het interne perspectief van de gelovigen, afgezien van de vraag of het daarbij uitsluitend om interne waarheid gaat. Ik zeg erbij, dat ik in mijn opstel niet probeer de waarheid van religieuze leerstellingen aan te tonen.
De fundamentele ideeën van het christendom zullen niet gemakkelijk veranderen, ook al wordt er voortdurend nagedacht over inhoud en samenhang van die ideeën. Als generaties na generaties van gelovigen voorbij zijn gegaan, zal de christelijke boodschap er heel anders uitzien dan tijden geleden. Dat zal zo zijn als gevolg van kristallisatie van tradities, ontwikkelingen, ervaringen, emoties, praktijken en langzaam gegroeide religieuze inzichten. Maar religieuze mensen nemen hoofdzakelijk gewoon aan wat hun in hun gemeenschap wordt aangereikt. Ze zullen niet, zoals meer dan eens gebeurt, op zoek gaan naar symbolische betekenissen van religieuze leerpunten en werkelijkheden als Jezus’ opstanding, ik bedoel, naar werkelijkheden als symbolen van leven en dood, van tragedie, liefde, hoop, rechtvaardigheid of geluk.
Religie is, wat zij zegt dat zij is.
[1] John Locke, An Essay concerning Human Understanding, ed. by P.H. Nidditch, paperback ed. (Oxford: Clarendon Press, 1979), Book IV, Ch. XIX Of Enthusiasm, p. 704.
[2] Hella Haasse, ‘Ik hief mijn hand op tussen mij en ’t licht’, Microsoft Edge, “DBNL [digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren] Hella Haasse Ik hief mijn hand” (consulted 02-02-2022), en Margot Dijkgraaf, Spiegelbeeld en schaduwspel: Het oeuvre van Hella S. Haasse (Amsterdam: Querido, 2014), pp. 109-115.
______ ______ ______
Waarheden over onzichtbare dingen: Een toelichting bij ‘On internal truth of religious discourse’
Charles Goossens --- 25-09-2020
‘Bestaat ze of bestaat ze niet? dat is de vraag’. Het gesprek gaat over het bestaan van een onsterfelijke ziel. Het antwoord op de vraag is, dat je als gelovige zegt, dat die er echt is. ‘Maar, zegt de puber in de klas, misschien hebben de mensen die ziel zelf bedacht!’ De begrijpende leraar zegt tegen haar: ‘Laten we dan eens kijken hoe het maken van een onsterfelijke ziel in zijn werk gaat’. Het idee van het maken of ontwerpen van een hogere werkelijkheid kan natuurlijk algemener worden toegepast. Dan zou er sprake zijn van het maken of ‘construeren’ van religie.
Najaar 2020 is er van mij een boek verschenen met de ondertitel ‘Gematigd constructivisme’. Het is een herdruk van een ouder boek met een nieuw opstel erbij. Het nieuwe essay en de rest zijn in het Engels geschreven voor vakgenoten. In dit digitale stukje wil ik een minder technische toelichting geven op het nieuwe opstel. Dat gaat over religie. Een hogere, religieuze wereld kun je maken door wat ik religieuze extrapolatie noem. Extrapoleren is te verduidelijken door te denken aan cirkels. Cirkels om ons heen zijn niet volmaakt. Maar we kunnen een volmaakte cirkel bedenken. Dan extrapoleren we van onvolmaakte cirkels naar een volmaakte cirkel. Zo kunnen we ook van de zichtbare wereld extrapoleren naar een hogere wereld en van een eindig leven naar een niet-eindig leven.
Als je een onsterfelijke ziel of een hogere, religieuze wereld ontwerpt en maakt, ben je bezig zoals een toneel- of romanschrijver of dichter. Vergelijkingen gaan altijd mank en dat is ook hier zo. Maar het gaat om het punt waar de vergelijking op slaat. In een roman treden allerlei figuren op en gebeurt er van alles met die figuren. Veel beweringen over wat daar gebeurt, zijn waar in de roman. Bij religieuze extrapolatie speelt er iets vergelijkbaars. Ook in dat geval zijn veel beweringen waar maar waar in de teksten die gaan over de religieuze wereld in kwestie. Ik bedoel dus de wereld die gemaakt is door middel van extrapolatie.
In feite zou het maken of ontwerpen van religie een gecompliceerd, langdurig proces zijn binnen gemeenschappen met tradities van ideeën en oude praktijken. Het ontwerpen van religie zou een proces zijn van ervaringen, visies, emoties en diepgevoelde nieuwe inzichten. Daarbij zijn er redenen om een hogere wereld te scheppen door middel van extrapolatie. Want mensen kunnen veel waardevols vinden in religie, ook al gaat het om een hogere wereld in het perspectief van religieuze extrapolatie.
Laten we nu kijken naar de grote gedachten van christelijke gelovigen als naar een speciaal soort verhaal tegenover wetenschap of filosofie. Ik gebruik hierbij de uitdrukking ‘christelijk verhaal’. Die uitdrukking gebruik ik niet in een afwijzende, pejoratieve betekenis. Ik bedoel er de boodschap van het christendom mee. De hogere, religieuze wereld die daarin centraal staat, is in grote lijnen geen wereld zoals we die om ons heen zien. In religieuze teksten gaat het over allerlei onzichtbare, ongrijpbare dingen: ‘Luister, Israël: de HEER, onze God, de HEER is de enige!’ (Deuteronomium 6), ‘Daarna verscheen hij in een andere gedaante aan twee van hen’ (Marcus 16), ‘Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan’ (1 Tessalonicenzen 4). De overtuigingen van de gelovigen behoren tot een speciaal soort spreken en denken met eigen, fundamentele regels en eigen kenmerken, eigen spelregels dus. De grondwet is, dat er één God is. En om te weten, welke ideeën wél en welke niet tot het grote verhaal horen, hebben we bijbel, concilies en traditie. De spelregels zijn in de loop van de eeuwen verder uitgewerkt.
Bovendien zijn er in het leven van christenen speciale toegangswegen tot de hogere wereld: bijvoorbeeld openbaring, religieuze ervaring, betrouwbare tradities en geloofwaardige getuigenissen. Traditionele godsbewijzen kunnen aan deze toegangswegen tot een hogere wereld worden toegevoegd. Mediteren over een plan of design van het universum is een begrijpelijk voorbeeld van zulke godsbewijzen. Dat zijn niet echt bewijzen in de zin van de logica maar toegangswegen. De hier genoemde wegen zijn voor gelovigen tegelijkertijd redenen of motieven om te geloven. Google heeft daarover iets bij ‘motiva credibilitatis’! Protestanten en katholieken verschillen vanouds van mening over dit onderwerp van ‘redenen om te geloven’, omdat er in deze gemeenschappen verschillend gedacht wordt over de waarde van de menselijke natuur en van het menselijke verstand. Maar geloven is hoe dan ook niet uit de lucht gegrepen of arbitrair. Mensen weten wat ze doen, als ze geloven! Merk op, dat bij zulke redenen om te geloven niet alleen zekerheden een rol spelen maar ook waarschijnlijkheden. Bij andere levenskeuzes zoals een partnerkeuze is dat ook zo. Het lijkt me een acceptabele gedachte, dat er voor welwillende mensen toegangswegen zijn tot het christelijke geloof in de vorm van motieven om te geloven. Daarbij zijn beslissingen om wél of niet te geloven persoonlijke beslissingen van degenen die met zulke diepgaande dingen geconfronteerd worden.
Als het gaat om de boodschap van het christendom, worden niet-gelovigen geconfronteerd met ongrijpbare dingen zoals een leven na de dood, met centrale wonderen zoals Jezus’ verrijzenis en met de zojuist bedoelde toegangswegen. Filosofisch zijn argumenten over zaken als een onsterfelijke ziel helaas controversieel en wonderen zijn per definitie onwaarschijnlijk, anders waren het geen wonderen. En het onderwerp van toegangswegen tot het christelijke geloof waarover ik het zojuist had, lijkt niet te liggen op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. Dit is zo, onder andere omdat het bij die toegangswegen tegelijkertijd gaat om redenen om wél of niet te geloven. Het christelijke denken en spreken is op deze manier een eigen soort verhaal. Daarom zullen wetenschappers, historici en veel filosofen dit verhaal zien als een apart terrein en voor de rest de spelregels van hun eigen vakgebied volgen. Ze zullen vermijden zich uit te spreken over strikt-religieuze leerstellingen.
Gelovigen denken en spreken over de religieuze wereld van binnenuit, als insiders. Ze zijn niet primair bezig met toegangswegen tot hun geloof. Hun teksten behoren tot een eigen literair genre, waarbij het dus belangrijk is, de verschillende genres uit elkaar te houden: romans, gedichten, geschiedschrijving, religieuze literatuur afhankelijk van extrapolatie, religieuze teksten onafhankelijk van extrapolatie enz.. Als bepaalde mensen het hebben over een hogere wereld die feitelijk afhankelijk is van extrapolatie, kunnen we dezelfde beweringen tegenkomen als bij gelovigen van een traditionele religie. ‘Hemel en aarde zijn geschapen’, bijvoorbeeld. Het verschil tussen de beweringen is vaak alleen te zien als er over de religieuze teksten wordt gesproken, op metaniveau om het jargon te gebruiken. Op metaniveau wordt vermeld hoe de mensen aan die beweringen komen, zoals door extrapolatie of door betrouwbare getuigenissen. Bovendien hoeven beweringen die in het ene genre waar zijn, in principe niet waar te zijn in het andere. Dat geldt voor geschiedschrijving en religieuze teksten, om een voorbeeld te noemen. Daar gaat het om twee verschillende genres.
Zoals ik al zei, duid ik mijn ideeën aan met ‘gematigd constructivisme’. De kern ervan is: Als we een religieuze wereld construeren, zijn beweringen over die wereld waar voor de insiders. Dat is een vrij oncontroversieel idee. Door het gematigde constructivisme blijkt religieuze extrapolatie één van de mogelijke verklaringen te zijn van religie. Het gaat niet om de of de enige verklaring ervan. Die mogelijke verklaring slaat op twee dingen, ten eerste dat religie ontworpen en gemaakt zou zijn en ten tweede, meer precies, dat de hogere, religieuze wereld gemaakt zou zijn door middel van extrapolatie.
Is voor een christelijke gemeenschap het christelijke verhaal een echt apart terrein? Ik bedoel: Is het verhaal immuun voor beweringen die het ronduit tegenspreken? Bij beweringen in het perspectief van religieuze extrapolatie is dat beslist het geval. Want in dat speciale geval is de hogere wereld een gemaakte wereld en zijn beweringen over die wereld waar, onafhankelijk van beweringen uit een ander literair genre. Ik heb zojuist een aantal van die genres vermeld.
Hoe gaat een christelijke gemeenschap nu om met de gedachte dat de grote, centrale wonderen van Jezus’ leven zoals de verrijzenis historisch onwaarschijnlijk zijn? Kan een gemeenschap zulke gebeurtenissen terecht in het christelijke verhaal handhaven? En breder gesproken, hoe gaat een religieuze gemeenschap om met leerstellingen zoals die over het bestaan van een onsterfelijke ziel en van een unieke goddelijke persoon, wanneer die gemeenschap geconfronteerd wordt met sceptische of zelfs vijandige reacties? Moeten de geloofswaarheden niet-letterlijk worden opgevat? Mogen ze door gelovigen worden gezien als waarheden die afhankelijk zijn van religieuze extrapolatie? Het antwoord op zulke vragen hangt af van de zojuist genoemde spelregels van de christelijke gemeenschap of gemeenschappen, nog afgezien van wat toonaangevende persoonlijkheden over die vragen denken en zeggen.
Voor veel gelovigen van de wereldgodsdiensten, joodse gelovigen, moslims, christenen zijn zulke kritische problemen overigens gerommel aan de buitenkant. Ze voelen zich daarin gesteund door eeuwenoude tradities en wereldwijde gemeenschappen en concentreren zich op hun religieuze werkelijkheid.
‘This old time religion. It is good enough for me’ (Song).
______ ______ ______